Adaptief omgaan met gedragsproblemen
Algemeen:
  • Je kunt de leerling vaak beter achterin de klas zetten: Jij hebt er minder last van, de kinderen hebben er minder last van en nog belangrijker: de leerling voelt niet telkens de ogen van de leerlingen in z’n rug prikken.
  • Als een leerling zegt: Ik wil niet… betekent dat vaak/meestal: ik kan niet…
  • De indruk ontstaat dat het gedrag van de leerling voortkomt uit onzekerheid. Faalangst over het beheersen van de stof, onzekerheid over hoe de klasgenoten over hem denken.
  • Je kunt m.b.v. een didaktisch onderzoek nagaan of de leerling alle vaardigheden onder de knie heeft. Enkele hiaten op dat vlak kunnen namelijk voor veel ‘ruis’ zorgen tijdens de lessen.

Werk bij alle kinderen drie aspecten: relatie, competentie en autonomie. Vooral bij kinderen met probleemgedrag is dat belangrijk.

Relatie:

  • Zorg voor begrip en duidelijkheid: begrip voor de leerling als persoon, voor zijn problemen en moeilijkheden. Duidelijkheid over wat wel en niet mag. Duidelijkheid over wat van hem verwacht wordt m.b.t. zijn werk en zijn gedrag.
  • Bij overtredingen kun je een ik-boodschap afgeven: beschrijf het gedrag (waarneembaar), beschrijf het gevolg, geef je gevoel aan. Hiermee blijft de relatie in stand en geef je de leerling de verantwoordelijkheid voor z’n gedrag.
  • Vanuit een ik-boodschap kan gepraat worden over het probleem: Hoe kunnen we nu samen een oplossing hiervoor bedenken? Je kunt zo komen tot gezamenlijk gemaakte afspraken. Kinderen hebben dan veel meer de neiging om zich er aan te houden.
  • Praten over wat de leerling wel en niet leuk vindt, kan bijdragen aan een goede relatie. De leerling voelt zich dan waarschijnlijk meer begrepen. Je bouwt dan een stuk ‘krediet’ op, wat je op sommige momenten hard nodig hebt.

Competentie:

  • Het is belangrijk dat de leerling succeservaringen op doet. Dat doet hij waarschijnlijk al, maar ze moeten ook als zodanig benoemd worden. Vaak schrijven kinderen met een negatief zelfbeeld de succeservaringen toe aan de dingen waar zij geen invloed op hebben. (“De sommen waren gewoon makkelijk”) Je kunt hier als leerkracht invloed op uitoefenen door telkens samen met de leerling na te gaan hoe het nou komt als de sommen goed gemaakt zijn. Dit moet toegeschreven worden aan zijn capaciteiten, aan zijn competentie.
  • Om succeservaringen op te kunnen doen, moet het werk natuurlijk wel goed aansluiten bij zijn mogelijkheden. Een stuk préteaching in de vorm van één keer in de week het rekenwerk voorbespreken en eventueel extra uitleggen, kan al veel meer zelfvertrouwen geven.
  • Praat eens met de leerling over wat hij wel en wat hij niet kan. Geef hem inzicht in zijn sterke en zwakke punten. Misschien denkt hij veel te negatief over zichzelf. Daar kan veel onzekerheid uit voortkomen.

Autonomie:

  • Probeer de leerling wel structuur te bieden, maar laat ook duidelijk ruimte voor zijn eigen keuzes. Binnen kaders valt er vaak nog veel te kiezen. Geef hem die ruimte ook, anders kan er frustratie ontstaan. De leerling gaat zich dan expres afzetten tegen je om toch te laten zien dat hij een persoon is waar rekening mee gehouden dient te worden.
  • Het is belangrijk om de leerling verantwoordelijkheid te geven voor zijn gedrag, voor zijn werk en voor de materialen waar hij mee werkt. Door middel van de ik-boodschap krijgt hij verantwoordelijkheid voor zijn gedrag. Je laat hem – binnen grenzen -  namelijk de keuze wat hij met jouw gevoel doet. Verantwoordelijkheid voor materialen bereik je door hem taken te geven: opruimen en schoonhouden van kasten, van het lokaal etc. Dit werkt vaak heel motiverend. Verantwoordelijkheid voor zijn werk kun je bereiken door met hem te bespreken wat hij moeilijk vindt en te bespreken hoe je daar samen met hem mee om kan gaan. Hij kan vaak ook wel zelf aangeven welke sommen hij niet snapt en waarvoor hij extra uitleg wil hebben. Dit kan bijvoorbeeld ook bij de RT-er met hem besproken worden.
  • De leerling kan – als uitvloeisel van het voorgaande – ook zelf aangeven wanneer hij op zijn ‘rustige werkplek’ kan gaan zitten.
Kijk ook eens bij Zien! - het expertsysteem voor sociaal emotionele ontwikkeling.

Het leerlingvolgsysteem ParnasSys kan veel betekenen voor het signaleren van gedragsproblemen of sociaal-emotionele problemen. Kijk bijvoorbeeld eens bij de schermen van ParnasSys of bij enkele voorbeelden van overzichten. U kunt ook een demonstratie bekijken of de lijst met mogelijkheden van ParnasSys inzien.